Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 11
‘ ‘Voor mijn werkzaamheid en mijn naar buiten treden en mijn timide
aanwezigheid in jouw omgeving had ik er
met zoveel hoop op gerekend […] Ik had een veilig, pretentieloos plan
ontworpen; mijn uitgever wilde het meer
laten schitteren; ik moest een stel beroemde schrijvers die hij voor mijn
vrienden hield, als medewerkers aantrek-
ken, en hoewel ik niets goeds bij die poging voorvoelde, liet ik mij, dwaas, toch
ompraten om niet eigenzinnig te
lijken, en mijn beste hart, dat iedereen welgevallig wil zijn, heeft me verdriet
bezorgd, waarover ik je helaas! moet
vertellen, omdat waarschijnlijk mijn toekomstige situatie, dus in zekere zin mijn
leven dat ik voor jou leef, ervan af-
hankelijk is. Niet alleen mannen, wier bewonderaar, meer dan vriend, ik me kon
noemen, maar ook vrienden, dier-
bare! […] – hebben me tot nu toe – niet geantwoord […] en ik leef nu al een
volle acht weken in dat wachten en ho-
pen, waarvan in zekere zin mijn bestaan afhangt […] Schamen de mensen zich zo
voor mij? […] Iedereen die in de
wereld naam maakt, schijnt afbreuk te doen aan de overigen, ze zijn dan al niet
meer zo uitsluitend en alleen de af-
goden; kortom, bij u, die ik me ongeveer als mijns gelijke mag wanen, lijkt me
soms een lichte handwerkersjaloezie
te heersen’ (MA II, 834 ev.).’
(Bladzijde 173) Morgen verder met dit hoofdstuk 11.