Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 12
In de vriendelijke sfeer die Landauer en zijn vrienden schiepen, vond Hölderlin
de kracht en de afstand om het eerder
begonnen grote afscheidsgedicht voor Susette te voltooien: ‘Menons klagen om
Diotima’. Het werd gepubliceerd, hoe-
wel het zeer persoonlijk gekleurd was.
‘Menon’ is de titel van de dialoog waarin Plato zijn leer van de
herinnering uiteenzet. Daar wordt de herinnering, die
een leven vóór het huidige leven doet oplichten, opgevat als een aanwijzing
voor de onsterfelijkheid van de ziel. Zo
moet ook de herinnering aan Diotima voeren naar een sfeer los van de tijd. Een
poëtische bezwering van het onvergan-
kelijke. De elegie eindigt met de regels:
‘Daar waar de muzen, waarvandaan helden en minnenden zijn.
Daar elkaar, of ook hier, op een dauwfris eiland ontmoeten,
Waar de onzen eerst, bloeiend in tuinen vereend,
Waar de gezangen waarachtig en langer de voorjaren mooi zijn,
en opnieuw een jaar onzer ziel begint.’
(MA I, 295; v. 126-130).’
(Bladzijde 182) Morgen verder met dit hoofdstuk 12.