Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 12
‘ De ‘eigen god’ in zich voelen betekent nog niet dat je aan de veilige
kant zit, want zoals we weten: ‘ook goden bindt
een lot’ (MA I, 310; v. 53).
Een moeilijk te verdragen wisseling van aanwezigheid en afwezigheid van het
goddelijke. Wie de aanwezigheid ge-
proefd heeft, zal de afwezigheid als zelfverlies moeten ervaren. Dan groeit de
inwendige woestenij, en er resteert al-
leen het geloof aan de wederkeer van het vervullende. Wat kun je doen? Er
resteert alleen de poëtische bezwering.
In het woord leeft wat in de tijd verloren is gegaan.
Dat zou evenwel zo opgevat kunnen worden dat het de eigen macht van de
inbeeldingskracht is die alles teweeg-
brengt, maar dat wordt met de verwijzing naar de ‘eigen god’ van de hand
gewezen. In de subjectiviteit is een object-
tieve macht werkzaam, of het ‘zijn’, zoals die macht bij de filosoferende
Hölderlin heet. In het gedicht voert die macht
het woord. Het is meer dan alleen een beschrijving van die macht, ze is het zelf.
Samen met ‘Menons klagen’ stuurde Hölderlin de geweldige hymne ‘De
Archipelagus’ aan een kennis in Jena, die
voor hem een uitgeverij regelde.’
(Bladzijde 183) Morgen verder met dit hoofdstuk 12.