Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 12
‘Het eerste deel van het gedicht is een hymne op de natuur van de
Archipelagus: ‘Nog steeds, Geweldige! leeft
gij en rust in de schaduw/ Uwer bergen, als altijd; met jongelingsjaren omvat
gij/ Nog uw lieflijke land, en van uw
dochters, o Vader!/ Van uw eilanden, de bloeiende, ging er niet een verloren’
(MA I, 295, v. 9-12).
Geen van die eilanden is verloren gegaan, maar wel de cultuur die er bloeide.
Het tweede deel van het gedicht
is gewijd aan de opkomst en ondergang van het klassieke Athene. De hymne wordt
een epos. In het middelpunt
de oorlog tegen de Perzen: aan de ene kant geknechte volken, aan de andere kant
mensen die trots zijn op hun
individualiteit en hun vrije gemeenschap. Zo worden de tegenstellingen
beschreven, en onmiskenbaar tekent zich
het in Hölderlins tijd vigerende frontverloop tussen het vrije Frankrijk en de
machten van het oude Europa af. De
Grieken: […] ‘straalden daar eens/ Niet van het dak van de burcht omlaag de
godengestalten?/ Ruiste daar de stem
van het volk, stormachtig bewogen,/ Niet uit de Agora op?’ (MA I, 296; v.
67-70). Ze vallen pal voor de Agora, het hei-
lige oord van de democratie, de Perzen aan, die hen willen onderwerpen: ‘Want
de vijand van de genius, de gebieden-
de Pers,/ Jarenlang telt hij ze al, de veelheid der wapenen, knechten,/ Spottend
het land van de Grieken […] (MA I, 298;
v. 86-88).’
(Bladzijde 184-185) Morgen verder met dit hoofdstuk 12.