Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 12
‘De vlucht naar de schimmen voor een heden dat van alle goede geesten verlaten
is. Er volgt de beschrijving van de
vervreemde wereld van de moderne tijd, waarin Hyperions filippica tegen de
Duitsers doorklinkt:
‘Maar wee! het wandelt in duisternis, het woont, als in de Orcus,
Zonder het goddelijke, dit ons geslacht. Aan het eigen handelen
Zijn ze gehecht alleen, en in de denderende werkplaats
Hoort ieder enkel zichzelf, en veel werken de wilden
Met geweldige arm, rusteloos, maar altijd en altijd
Onvruchtbaar, als de furiën, blijft de inspanning der armen.’
(MA I, 302: v. 241-246))
De ‘geest van de natuur’ (MA I, 303; v. 251) is er nog wel, die waait ook
‘in nieuwe tijd’, maar men verhardt jegens hem,
‘terwijl een immer levende lente/ Onbezongen boven het hoofd der slapenden
schemert’ (id.; v. 255 ev.)’
(Bladzijde 185-186) Morgen verder met dit hoofdstuk 12.