Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 12
‘Die geweldige hymne, rijk aan elegische en epische klanken, eindigt met het
visioen van de grote verzoening. Als
die werkelijkheid wordt, mogen de scheppende krachten van de vernieuwing niet
‘onbezongen’ blijven. De poëzie
moet zich erin mengen. Alleen zij begrijpt het wisselen en worden van de
‘godentaal’. Maar als het erg wordt, als er
voorlopig geen uitzicht op een nieuwe dag bestaat, helpt de poëzie om geen
gemene zaak te maken, om weerstand
te bieden en vol te houden: […] en als de scheurende tijd mij/ te geweldig het
hoofd aanpakt en de nood en verwar-
ring/ onder de stervelingen mij mijn sterfelijk leven doet beven,/ Laat de stilte
mij dan in uw diepte gedenken’ (MA I,
304; v. 293-296).
Het behoort tot de mysteries van Hölderlin dat de elegie ‘Brood en wijn’
– voor mij een van de volmaaktste en mooi-
ste gedichten van Hölderlin – tijdens zijn leven niet verschenen is. Alleen de
eerste strofe werd onder de titel ‘De wijn-
god’ met de opdracht ‘Aan Heinze’ (= Heinse) gepubliceerd.
Zoals ‘De Archipelagus’ een hymne met elegische tonen is, is ‘Brood en
wijn’ een elegie met hymnische tonen.’
(Bladzijde 186) Morgen verder met dit hoofdtuk 12.