Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 12
‘’Stil in schemerige lucht weerklinken luidende klokken,
En indachtig de tijd roept de wachter het uur.
Nu ook komt er een waaien, roerend in de kruin van de bomen,
Zie! en het schaduwbeeld onzer aarde, de maan,
Komt geheimzinnig nu ook; de dwepende, de nacht komt
Vol met sterren, en weinig bekommerd om ons
Glanst de verbazende daar, de vreemdeling onder de mensen
Boven de bergtoppen op, droevig en groots.’
(MA I, 372)
Een stad die ter ruste gaat, nog vervuld van de vreugden van de dag, tevreden en
voldaan. Als het lawaai van
het dagelijkse leven afneemt is er een ver snarenspel te horen, dat net als de
torenklok op de avond vooruitloopt.
Een overgang. Driemaal ‘komt’ er iets. Een waaien komt op, de maan komt op,
en ten slotte de nacht. Driemaal
wordt die benoemd: de ’dwepende’, de ‘verbazende’, de ‘vreemdeling’.
Een plechtige, eerbiedwaardige begroeting.
Wat wij de nacht aan betekenis geven, bijvoorbeeld als we met haar dwepen of als
zij ons verwondert of ons vreemd
mag lijken, geeft de nacht vanuit zichzelf aan ons terug. Ze is zelf de dwepende,
de verbazende, de vreemdeling.’
(Bladzijde 188) Morgen verder met dit hoofdstuk 12.