Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 12
‘De zogenaamd verlichte tijden zijn geen heldere tijden en al helemaal geen
vervulde. De mens moet nog door iets
anders dan zichzelf worden geclaimd. Dat ‘andere’ is voor Hölderlin het
‘goddelijke’ of het ‘hemelse’ of ‘de goden’,
en vaak ook gewoon ‘geest’ of ‘natuur’. De geschiedenis kent talloze
verschijningsvormen van het goddelijke. Chris-
tus en de christelijke symbolenwereld is er een van. De mooiste is voor
Hölderlin de Griekse. Maar elke wording van
het goddelijke heeft haar tijd en verdwijnt weer. Het goddelijke bestaat, maar in
steeds wisselende gestalte. En soms
verdwijnt het ook volledig, zij het niet voorgoed. Tegenwoordig, aldus
Hölderlin, beleven we de tijd van de ‘godennacht’.
Er kan dan alleen maar worden gehoopt dat het ooit weer dag wordt. Hölderlin
ziet zichzelf als een dichter die de her-
innering aan de goedendag koestert en tegelijk uitkijkt naar de tekenen van het
aanbreken van de dag.
‘Brood en wijn’ begint met de stille, vredige overgang van de avond – de
vrije avond na het werk – naar de nacht, die
zich geheimzinnig en verheven aankondigt, maar nog niets dreigends heeft.’
(Bladzijde 187) Morgen verder met dit hoofdstuk 12.