Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 12
‘In de hymne wordt gevierd wat boven de individuele mens uitgaat, het verhevene
in de natuur, in de gemeen-
schap en de liefde; uiteindelijk is het het goddelijke. De elegie geeft
uitdrukking aan smart en treurnis wanneer
dat wat de hymne viert zich terugtrekt of ondergaat. De hymne viert het
aanwezige, de elegie gedenkt het afwe-
zige. Zoals de hymne elegisch wordt wanneer het gevierde hem ontglipt, zo wordt
de elegie hymnisch, wanneer
haar het oproepen van het verdwenene gelukt. Dat gebeurt in dit elegische
wonderwerk ‘Brood en wijn’.
Aan het eind van de ‘Archpelagus’ staat de wens het ‘wisselen en
worden’, die ‘godentaal’, in zijn diepte te be-
grijpen. En dat is precies het thema van ‘Brood en wijn’, de wisseling van
het goddelijke in de opeenvolging van
dag en nacht, van openbaren en verbergen, van aanwezigheid en afwezigheid.
Het gaat om een andere geschiedenis van de verlichting. Als de goden afstand
nemen van de mens, wordt het
donker, en hij ziet overal in de natuur en geschiedenis alleen zichzelf en zijns
gelijken. Dan wordt het benauwd,
banaal en wreed. De mens kan de mens niet uitstaan zonder een open horizon.’
(Bladzijde 186-187) Morgen verder met dit hoofdstuk 12.