Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 12
‘Dat is niet alleen onze inbeelding, dat is ze zelf. Ze wordt niet alleen met
poëtische metaforen tot leven gewekt,
ze heeft zelf een eigen leven, en wel in zo hoge mate dat van haar kan worden
gezegd dat ze ‘weinig bekommerd
om ons’ is.
De eerste strofe is de poort naar die nacht. In de tweede strofe neemt die
nacht ons op. Nu is ze het ondoordring-
bare duister van het lot waarin we vervlochten zijn. In die nacht verbergt zich
‘de gunst der hoogverhevene’, bij wie
‘niemand/ Weet vanwaar en wat iemand geschiedt door haar’ (id.; v. 19-20). Zo
weet men waarschijnlijk ook niet of
het werkelijk een gunst is, ‘en daarom/ Is nog liever dan zij u de bezonnen
dag’ (id.; v. 23 ev.). We streven naar de
zon, maar moeten de nacht leren verdragen. Ze kan niet vermeden worden, maar we
moeten iets van haar verlangen:
‘Maar ze moet ons ook, opdat in de talmende tussentijd,
Opdat in het duister voor ons iets is wat ons houdt,
Ons de vergetelheid en ons de heilige dronkenschap gunnen,
Gunnen het stromende woord, dat als de minnende zij,
Slapeloos, vollere bekers en moediger leven,
Heilig geheugen ook om wakker te blijven bij nacht’
(MA I, 374; v. 31-36)
(Bladzijde 188-189) Morgen verder met dit hoofdstuk 12.