Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 12
‘Ze werd dodelijk getroffen door een bliksemflits, waarin Zeus zich had gehuld.
Haar liefdesvrucht bleef onge-
deerd: Dionysos. Maar het bliksemachtige is hem gebleven: zijn plotselinge
opduiken, het laaiende vuur bij de
aanraking, de geestesbliksem van de inspiratie. Hij is een onrustige, ongedurige
god. Het is de komende god,
omdat hij altijd onderweg is, van oost naar west, begeleid door zijn dronken
schare. Dionysos is ook de god die
er nog niet is, op wie wordt gewacht; Schelling, die hem samen met Hölderlin
ooit in het Stift ook voor zichzelf
ontdekt had, noemt hem later in zijn ‘Philosophie der Offenbarung’ de god van
de ‘advent’ bij uitstek. Een god
wiens belangrijkste karaktertrek juist het komen is.
Een eeuw vóór Nietzsche heeft Hölderlin de enorme cultuurscheppende
betekenis van die god ingezien. Die
komende god brengt geen contemplatieve rust en mystieke verbondenheid, maar wekt
hartstocht. Wie de ko-
mende god te nabij komt, geraakt in vuur en vlam. ‘Goddelijk vuur spoort aan
ook (id.; v. 40) heet het in ‘Brood
en wijn’.’
(Bladzijde 190) Morgen verder met dit hoofdstuk 12.