Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 12
‘Op het eind van deze zesde strofe, voordat de godennacht het onderwerp wordt,
de verrassende wending die
aanleiding heeft gegeven tot talloze interpretaties en raadselachtige
commentaren. Na de klacht over het uitblij-
ven van het goddelijke teken zegt Hölderlin namelijk: ‘Of hij (god) kwam ook
zelf en nam de gedaante aan van
mens/ en voltooide en sloot troostend het hemelse feest’ (id.; v. 106 ev.).
Kennelijk is Christus bedoeld, en het opmerkelijke is: hij is niet het begin
van een nieuw tijdperk, maar het ein-
de van het oude; hij behoort nog als laatste tot de Griekse godendag. Nog
tweemaal duikt hij op, eerst als ‘stille
Genius, hemels/ Troostend, die het eind van de dag verkondde en ging’ (MA I, 380;
v. 129 ev.), en later als ‘als
fakkelzwaaier van de Hoogste/ Zoon, de Syriër’ (MA I, 382; v. 155 ev.).
Christus is hier niet de gekruisigde, maar de aanbieder van het Avondmaal,
brood en wijn, een afstammeling
van Dionysos, reden waarom in de laatste strofe niet helemaal duidelijk wordt of
Christus of Dionysos bedoeld is
als Hölderlin zegt dat hij is ‘Altijd fris […] / Daar hij blijft en zelfs
het spoor van de ontvluchte goden/ Voor de god-
delozen beneden in de duisternis brengt’ (KA I, 291; v. 145-148).’
(Bladzijde 191-192) Morgen verder met dit hoofdstuk 12.