Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 13
‘De aansluitende fragmentarische strofe waarmee deze hymne afbreekt, bevat de
omineuze regels: ‘En zeg ik
meteen, (leemte) / ik ben gekomen om de hemelsen te schouwen / zijzelf, zij
werpen me diep onder de leven-
den / de valse priesters, in ’t duister’ […] (id., v. 61-71).
De dichter als ‘valse priester’ in het duister geworpen – er moet iets met
hem gebeurd zijn of hij moet iets ge-
daan hebben dat na de woorden ‘Maar wee mij! als van’ […] niet in taal wil
worden uitgedrukt, althans niet in het
gedicht. Alleen het prozaontwerp geeft aanwijzingen:
Maar als van
Zelfgeslagen wond het hart me bloedt
En diep verloren
De vrede is en vrijbescheiden genoegen,
En de onrust, en het gemis me drijft naar de
Overvloed der godentafel[…]
(KA I, 665)
Het is de toespeling op Tantalus, die naar de godentafel opdrong en die, zoals
Hölderlin in zijn brief aan Böhlen-
dorff van 4 december 1801 schrijft, ‘meer van goden gewerd dan hij verduren
kon’ (MA II, 914), en daarom in de
Hades geworpen werd.’
(Bladzijde 208-209) Morgen verder met dit hoofdstuk 13.
Dag Ralf,
Groet van Willem