Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 15
‘Maar ‘wie zich over hem wil ontfermen’ zou zich tegenover hem wel als een
‘schoolmeester’ moeten gedragen. Maar
als je eenmaal ‘over zijn voorkomen gezegevierd’ zou hebben, ‘dan was hij
verder niet tot last, omdat hij stil en in zich-
zelf gekeerd is’ (id. 619 ev.). In Hegels antwoord voel je dat hij zich
Hölderlin liever van het lijf wil houden. Hölderlin is
‘over de tijd heen waarin Jena een positieve uitwerking op een mens kan
hebben’, antwoordde hij. Maar hij wil hem niet
helemaal laten vallen: ‘Ik hoop dat hij nog steeds een zeker vertrouwen in me
heeft, zoals hij dat normaal altijd in mij heeft
gehad, en misschien is dat in staat iets bij hem te bewerkstelligen, als hij
hierheen komt’ (Hegel aan Schelling, 16 au-
gustus 1803; MA III, 620).
Hölderlin is niet meer naar Jena gegaan.
In het daaropvolgende jaar, 1804, had Sinclair eindelijk succes met zijn
niet-aflatende aandringen. Sinclair
had zijn vriend de functie van hofbibliothecaris bij de landgraaf aangeboden
(maar hij had verzwegen dat hij die uit ei-
gen zak wilde financieren). Het geld voor zijn levensonderhoud zou daarmee
gegarandeerd zijn, schreef hij aan Hölder-
lins moeder (MA III, 633).’
(Bladzijde 231-232) Morgen verder met dit hoofdstuk 15.