Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 15
‘Hij kende zijn vriend goed genoeg om te weten dat hij ‘een veel te
fijnvoelend wezen (is) om niet ook het geheimste
oordeel dat over hem wordt geveld in het innerlijk van het hart te lezen; en
hoeveel bezorgder moet dat hem niet ma-
ken’ (MA III, 615). Hölderlins moeder bezweert in de zomer van 1803 te geloven
dat alleen God en zijn vriend haar
‘ongelukkige zoon’ nog kunnen helpen. Maar nadat deze zich de hele winter
verheugd had op de reis naar Homburg,
was daar bij hem nu helemaal geen sprake meer van. En ze wilde nu vanuit zichzelf
het Homburg-plan bij hem niet
meer aan de orde stellen om de indruk te vermijden dat hij een ‘last’ voor
haar was en dat zij hem kwijt wilde.
Het was in die zomer van 1803 dat Hölderlin, toen hij hoorde dat Schelling
bij zijn ouders in het naburige Murrhardt
op bezoek was, zich op weg begaf om daar voor het eerst sinds zes jaar zijn oude
vriend terug te zien. Schelling heeft
die ontmoeting later als volgt beschreven: ‘zonder begeleiding, te voet’ en
‘dwars door de velden als door een instinct
geleid’ was Hölderlin bij hem aangekomen. ‘Het was een treurig weerzien,
want ik overtuigde me er spoedig van dat
dit zacht besnaarde instrument voor altijd verwoest was.’’
(Bladzijde 230-231) Morgen verder met dit hoofdstuk 15.