Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 14
‘Maar waar zijn de vrienden? Bellarmin
Met al zijn makkers? Menigeen
Kent vrees om naar de bron te gaan;
De rijkdom namelijk begint
In zee. Zij,
Als schilders, brengen tezamen
Het schone der aarde en versmaden
De gevleugelde oorlog niet, noch
Te wonen eenzaam, jarenlang, onder
De ontvoerde mast, waar niet de nacht doorglanzen
De feestdagen in de stad,
Noch snarenspel en dans der bewoners.
Nu echter zijn naar de Indiërs
De mannen gegaan.
Daar op de luchtige landtong
Bij wijnbergen, waarvan neerwaarts
De Dordogne komt,
En samen met de prachtige
Garonne zeebreed
Uitgaat de stroom. Maar zij neemt
En geeft herinnering de zee,
En de liefd’ ook hecht vlijtig haar ogen,
Maar wat blijft, dat schenken de dichters.
(MA I, 473-475)’
(Bladzijde 227-228) Morgen verder met dit hoofdstuk 14.