Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 14
‘Op feestdagen gaan
De bruine vrouwen daar
Op zijden bodem
In de dagen van maart,
Als nacht en dag gelijk zijn,
En als over trage vlonders,
Zwaar van gouden dromen,
een wiegende bries gaat.
Maar reik mij
Vol van het donkere licht
Een der geurende bekers aan,
Zodat ik rusten mag; want zoet
Zou in de schaduw de sluimer zijn.
Niet is het goed
Zielloos sterfelijke
Gedachte te hebben. Doch goed
Is een gesprek en te zeggen
Wat leeft in het hart, te horen veel
Van dagen der liefde,
En daden, die geschied zijn.’
(Bladzijde 227) Morgen verder met dit hoofdstuk 14.