Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 14
‘Kun je het in de nacht daarmee uithouden? Alleen, aldus het bedeesde antwoord,
als er verbondenheid is – maar
wee als ‘ze niet vatten kunnen/ Elkaar’ (MA I, 451; v. 141 ev.). De
eenzaamheid neemt toe, de band tussen de men-
sen verdwijnt, ze worden verstrooid en verstrooien elkaar:
Maar vreeslijk is hoe her en der
Oneindig god het levende verstrooit
Want van het aangezicht al
Der dierbare vrienden af te laten
En ver weg over de bergen te gaan
Alleen […]
(MA I, 450; v. 121-126).
Het is paradoxaal: het goddelijke, eigenlijk het alomvattende, heeft zich
teruggetrokken, en als het toch verschijnt,
treft het enkelingen, die alleen, zonder gemeenschap, de last van het hemelse
niet kunnen dragen. En daarom geldt:
‘Maar er wachten/ Veel schuwe ogen,/ om te schouwen het licht. Niet willen/ Aan
het felle stralen ze bloeien’ (Ma I,
452; v. 186-198).’
(Bladzijde 225-226) Morgen verder met dit hoofdstuk 14.