Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 14
‘Een reminiscentie aan het begin van Dantes ‘Goddelijke komedie’. De hymne
‘Patmos’ gaat ook over een hemel-
en hellevaart.
Eerst de hemel: ‘Een vredig vuur; maar in het licht/ Bloeit hoog de zilveren
sneeuw;/ en getuige van onsterfelijk
leven’ (MA I, 448; v. 38-40). De Griekse tempels, omringd door ceders en
laurieren, de ‘goddelijk gebouwde palei-
zen’ (id.; v. 45) onder de zon. Alles is nog licht, een goedendag.
En daarna Patmos, de plek van de tijdsweide, het binnengaan van de ‘donkre
grot’ (id.; v. 56) van Johannes. De
herinnering aan de aanwezigheid van Jezus. De uitstraling van zijn liefde. Het
afscheid bij het Avondmaal. De dood
aan het kruis wordt overgeslagen: ‘Daarop stierf hij. Veel zou/ te zeggen zijn
daarover’ (MA I, 449; v. 88 ev.). De moei-
lijk te verdragen breuk: de onttrekking aan de zichtbaarheid. De eerste
discipelen moesten meteen al onthouding leren:
het afscheid van het aangezicht.
Van nu af aan bestaat de waarheid alleen nog maar in de geest. Om dat
‘alleen nog maar’ draait het hele gedicht, tus-
sen hoop, twijfel en vertwijfeling. Volstaat na de godenschemering van de
Klassieke Oudheid de vergeestelijking, die
christelijk – spirituele vorm van aanwezigheid?’
(Bladzijde 225) Morgen verder met dit hoofdstuk 14.