Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 14
‘Het gedicht wordt in veel opzichten bepaald door het motief van de beweging.
Het is enerzijds de beweging van
aandenken. Denken – aan iets, hier de herinnering aan de tijd in Bordeaux. Het
geestelijke teruggaan dus: ‘Ga nu
echter en groet/ De schone Garonne’ […] Het is alsof ook dat geestelijke
teruggaan gevleugeld wordt door een gun-
stige rugwind: ‘De noordooster waait’.
Maar als de beweging van de herinnering bij de herinnerde beelden stilstaat,
komt ze niet tot rust. Want ook in de
herinnerde wereld is alles in beweging, het stromen en waaien trekt door het hele
gedicht. Het haalt de zich herinne-
rende terug, en in de herinnerde beelden wordt een streven naar elders zichtbaar,
het sterkst in de laatste twee stro-
fen. De een wil terug naar de ‘bron’, de ander vreest dat. Ze vertrekken,
kiezen het ruime sop, zoeken verte. De een
zoekt de oorsprong, de ander is bij de ontsprongenen. De zee belooft hun
‘rijkdom’. Ze zijn onderweg, blootgesteld
aan de gevaren, de eenzaamheid, en ze houden vol als schipbreukelingen onder de
‘ontloverde mast’. En toch: voort-
gedreven, weggedreven, bedreigd door de ondergang, brengen ze samen het
‘schone der aarde’. De laatste strofe
roept nog eenmaal de haven van Bordeaux op, van daaruit vertrekken de schepen
naar Indië, Hölderlins sprookjes-
land uit zijn kinderjaren. De blik reikt ver, en vanaf de ‘luchtige landtong’
van de ‘wijnbergen’ ook ver naar beneden,
waar de Dordogne en de Garonne machtig omlaagstromen en ten slotte in zee
uitmonden. Maar de zee zelf is ook
voortdurend in beweging. Het ritme ervan zijn de getijden, die prachtig in het
beeld zijn opgenomen: ‘Maar zij neemt/
En geeft herinnering de zee’.’
(Bladzijde 228-229) Morgen verder met dit hoofdstuk 14.