Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘ ‘Niet omkijken’, fluisterde de mond. Natuurlijk keek ik om. Ik zag een
gezicht in het donker
oplossen als suiker in koffie.
Sommige mensen kijken in de lucht en zien vrouwen met vleugels en mannen met
snavels.
Sommige mensen zien insecten onder hun vel rondkruipen. Iedereen heeft obsessies
nodig.
Maar wat als die allemaal tegelijk aan de oppervlakte komen?
Ik kende het verschil niet meer tussen dag en nacht. Alleen nog het verlangen de
armen te
voelen en de stem te horen. Als een vis dook ik in het donker, met open ogen en
open mond.
Soms kwam ik tot stilstand in de harde armen van een boom. Soms raakten mijn
voeten nau-
welijks nog de grond. Meestal rende ik zo hard dat ik in mijn eigen armen
terechtkwam.
Ik dook onder in het zwart en dook op in het zonlicht. Of omgekeerd. Volkomen van
streek. Uit-
geput. Met dezelfde koorts in de ogen als de mannen die ik aan de rand van de Lac
d’ Amour
had gezien, fluisterend, gejaagd om zich heen kijkend en zakjes omruilend voor
geld of gezucht.’
(Bladzijde 16-17) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.