Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Al die angsten en verlangens en verveling en dromen die zich in de loop der
eeuwen aan muren
en plafond gehecht hebben, terwijl de priester de kelk hemelwaarts duwde en het
water en de wijn
zich vermengden. Iemand zou zijn vingers als klauwen op de muren moeten zetten en
ze met een
ruk naar beneden bewegen: het ophopende vuil onder de nagels zou veel over ons
vertellen. En er-
gens zou hij de stem van het meisje vinden die de woorden in mijn oor had
gefluisterd.
Als ik naar de nachtelijke hemel kijk, zie ik soms nog haar oplossende gezicht.
Haar haren als nevel-
slierten. Haar sikkelvormige glimlach.
Ik hield ervan in de koelte van de kathedraal te zitten. Bedwelmd door de
waskaarsen en de wierook.
Het plafond dat zo hoog is dat het op windloze dagen boven de mist uitsteekt. Het
geschuifel op de
vloer en het geprevel van de geknielde lichamen. Het koor dat meer nissen en
zijpaadjes heeft dan
een labyrint dwaalwegen. De heiligenbeelden hangen er de gestolen kussen als
rozen om hun hals.’
(Bladzijde 19) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.