Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
Niets is ontroerender dan de aanblik van iemand die zich onbespied waant. Hoe
iemand, onbewust
van de blikken om haar heen, een vingertop op de mond legt en, verzonken in die
handeling, de ei-
gen lippen streelt. De kwetsbaarheid. De absolute naaktheid.
Ik wist niet dat ze me kon zien terwijl ik voor de bloem neerknielde en niet
ophield met lezen.
Het is een zachte nacht. Ik heb het paard in gereedheid gebracht. De koets glanst
als een zwartle-
deren gondel. De in fluwelen hoezen gestoken hoeven klinken als de hartslag van
een minnaar. Ik
laat het paard zijn gang gaan. Met gesloten ogen. Het schommelen van de koets.
Één groot oor. De
rechterhand op het wapen.
Hoe lang zit ze al in de koets? Naast mijn rechterbeen schuift een tijgerlelie te
voorschijn. Een mond-
je. Een gapend wondje.
Traag door de straten. In- en uitademend. Haar geur.
Het is nauwelijks merkbaar. Een zachte trilling die door de koets trekt. Het
gedempte geluid van twee
voeten die op de straatstenen landen. Maar het is genoeg om het paard
onmiddellijk tot stilstand te
brengen.’
(Bladzijde 60) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.