Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Ik neem haar handen en leg die op mijn hals, waar ze verdwalen. De rechterhand
die de woorden
als bloemblaadjes plukt: ‘De bloem ontplooide zich. En bleef zich ontplooien.
Letterlijk en figuurlijk.
Nam bezit van het huis. De geur ervan drong elke kamer binnen. De bloemblaadjes
krulden zich als
lippen, als een tong, als een geslacht, mannelijk en vrouwelijk tegelijk.
Uitstulpingen. Een lichaam dat
zich binnenstebuiten keerde. Een vulkaanmond waaruit vlees stroomde. Een
overstromende kaars.’
De rechterhand langs mijn hals omlaag. De woorden van me af plukkend als
kledingstukken. ‘Ik
hoefde nauwelijks dichterbij te komen. Overal op mijn kleren vond ik stuifmeel.
Alsof de bloem wel-
lustig naar me likte als ik voorbijliep.’
Mijn mond boven haar mond.
Het is nauwelijks uit te maken of zij het is die mijn handen grijpt of omgekeerd.
Welke handen bij wel-
ke polsen horen en welke handen welke buik voelen.
Alsof ik mijn eigen handen bij de polsen vastgrijp en ze over mijn eigen
lichaam beweeg.’
(Bladzijde 68-69) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.