Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Hij keek scheel, ik begon te lachen, maar hij greep mijn pols beet om mijn
hand stil te houden.
Ik was leniger dan hij dacht en voor hij het wist, lag de lychee op mijn tong te
blinken. Hij boog
mijn arm achter zijn rug en plukte de lychee uit mijn mond.
Zijn tong was een zachte lepel.
Toen ik na een tijd duizelig mijn ogen opende, raapte ik de sinaasappel op die
tussen mijn voe-
ten was gerold. De jongen was verdwenen met de lychee, reizend door zijn buik.
Het duurde tot de avond voor ik de letters in de schil opmerkte. Elke keer als
ik die woorden
hoor gebruiken, kan ik opnieuw de mond van die jongen proeven.
Hij gaat op bed liggen en sluit de ogen. Ik wacht tot hij de ademhaling van de
kamer in zich opge-
nomen heeft. Plots gaat hij overeind zitten en vraagt: ‘Ben je een jongen of
een meisje?’
Ik antwoord: ‘Soms.’
Hij strekt zich opnieuw uit. Zijn armen langs zijn hoofd.’
(Bladzijde 66) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.