Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Ik kan hem door de deur horen ademen.
‘Kom binnen.’
Hij ademt in, sluit de ogen en duikt.
‘Welke gedaante wil je dat ik aanneem?’
Ik zie een blos uit zijn hals opstijgen.
Hij ziet dat ik dat zie.
Trek je ernst uit, zeg ik, en ik neem zijn jas aan.
Ga zitten, zeg ik. Ik weet dat hij nu om zich heen kijkt op zoek naar een
stoel.
Terwijl hij onwennig op de rand van het bed gaat zitten, sta ik met gesloten
ogen
voor de spiegel en schildert mijn tong een glimlach op mijn lippen.
Neem op het bed plaats.
Ga liggen.
Sluit de ogen.
De ademhaling van de kamer.
Adem die kamer in en uit.
De hartslag van het bed.
De warmte.’
(Bladzijde 63-64) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.