Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Of obsceen als dahlia’s. Juichend. Wapperend als een vlag. Of discreet als
een briefje dat
je op een dag in een jaszak vindt. Niets ondertekend. Anoniem. Verpulverend
terwijl je het
leest.
Hoe meer variaties, hoe beter. Gretigheid en generositeit, daar gaat het om.
Antwoorden
die de vragen complexer maken. Het genot van het spel. De spanning van het spel.
De de-
finitie van het labyrint: niet de uitgang is het doel, maar het verdwalen.
Dat laatste is een citaat. Ik heb het als een wapenschild in mijn vel laten
tekenen.
Voel maar.
Men verwijt mij dat ik vrijblijvend ben en oppervlakkig. Is een kind dat
verzonken is in zijn
spel oppervlakkig? Zijn twee in elkaar verzonken geliefden oppervlakkig?
Ik hoor de met doeken omzwachtelde stappen van een paard. Hij springt nu van de
koets af.
Kijkt vlug links en rechts. Schaamte? De angst herkend te worden? De haast om bij
mij te zijn.’
(Bladzijde 62-63) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.