Weer verder met ‘Gedichten van Friedrich Hölderlin’
vertaald door Ad den Besten.
Verder met
‘De Archipelagos
Want zij leven niet meer, uw lievelingen van vroeger,
d’ edelen die u eerden, met schone tempels en steden
al uw oevers bekransend; en steeds nog zoeken en missen,
steeds nog begeren vergeefs, als helden de krans, de gewijde
elementen ten roem het hart der ontvanklijke mensen.
Waar is Athene? De stad die eens aan uw heilige oevers
u het liefst was, o zeg mij, is over de urnen der meesters,
treurende god! ook zij zelf tot stof en as dan verzonken?
Of is er toch nog een teken van haar, dat wellicht een zeeman,
langsvarend, haar gedenkt en dat hij eerbiedig haar naam noemt?
Rezen daar niet de zuilen omhoog en glansden eens daar niet,
hoog van het dak der burcht terneerziend, de godengestalten?
Klonk, stormachtig bewogen, van daar de stem van het volk niet
uit de Agora op en repten uit vrolijke poorten
zich niet de straatjes naar u en naar uw gezegende haven?
Zie, daar maakt de ver-ziende koopman zijn schip nu los, vrolijk, –
ook voor hem immers waait de bevleuglende wind en de goden
minnen, net als den dichter, ook hem, omdat hij de goede
gaven der aarde ruilend, wat ver en nabij is verenigt.’
(Bladzijde 183-185) Dit is gedicht 44. Morgen verder met dit gedicht ‘De
Archipelagos’.