Weer verder met ‘Gedichten van Friedrich Hölderlin’
vertaald door Ad den Besten.
Verder met
‘Dichterambt
En nochtans, o gij hemelsen en o al
gij bronnen en gij oevers, gij berg en woud,
waar eenmaal wonderbaar voor ’t eerst het
ons bij de haren greep, onvergeetlijk,
en d’ onverhoopte genius over ons
de scheppende, de godlijke kwam, dat ons
verstand verstomde en, als door de
bliksem geraakt, ons gebeente beefde,
gij rusteloze daden, alom op aard!
tumultueuze dagen, wanneer de God
bedachtzaam leidt waarheen onstuimig
hem de gigantische rossen brengen,
u zouden wij verzwijgen, en als in ’t hart
welluidend klinkt de klank van het stille jaar,
zou het dan mogen zijn, alsof een
kind overmoedig des meesters zuivre’
(Bladzijde 241) Dit is gedicht 55. Morgen verder met dit gedicht
‘Dichterambt’.