Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 10
‘Hij veroordeelt de jakobijnse terreur, voelt zich opgelucht bij de
terechtstelling van Robespierre, is ontsteld over de
vernielzucht van de Franse soldaten die zich helemaal niet als vrijheidsstrijders
gedragen – en volgt toch met sympa-
thie het oprukken van de Franse troepen en worstelt bij tegenslagen met zijn
tranen. In een briefconcept aan Susette
beschrijft Hölderlin hoe Muhrbeck, een gezamenlijke vriend van Sinclair en hem,
op zijn kamer kwam met het nieuws
dat de Fransen in Italië waren verslagen. Beiden zijn ontsteld, en dan volgt
deze scene: ‘ ‘Als het er met ons maar goed
voor staat’, zei ik tegen hem, ‘dan staat het er in de wereld ook goed
voor’, en hij viel mij om de hals […] en onze be-
traande blikken ontmoetten elkaar’ (MA II, 780). Ondanks alle teleurstellingen
slaat Hölderlins hart nog altijd voor de
revolutionaire zaak, en in die geest ontwerpt hij in 1798 zelfs een hymne op
Napoleon (MA I, 185).
Terug naar de roman. Na die twist breekt Hyperion met Alabanda, wanhopig.
Alles lijkt troosteloos en leeg. Het niets
dreigt.’
(Bladzijde 146) Morgen verder met dit hoofdstuk 10.