Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 12
‘Hölderlin was al in Homburg aan ‘De Archipelagus’ begonnen, maar hij
voltooide het pas in het creatieve Elysium
bij Landauer. ‘Archipelagus’ duidde in het toenmalige taalgebruik de
Egeïsche Zee met zijn eilanden aan. De panora-
mische blik van het gedicht gaat daar nog ver boven uit en omvat de hele
mediterrane wereld; in het hart ervan Grie-
kenland, zijn geschiedenis, zijn cultuur, zijn goden. Ook hier, net als in
‘Menons klagen’ een zoektocht naar de verlo-
ren tijd, het bezwerende oproepen ervan, de klacht over de armoede van het heden
en ten slotte een hymne op de
verbeeldende kracht van de poëzie. Het naar zich toe halen van het verlorene en
de euforie om een nieuw begin, dat
in het oeroude ontspringt.
De Archipelagus – de zee, de aarde, de hemel, de lucht, dus alles wat hij
omsluit – wordt in dit gedicht aangesproken
als genius, die natuur, cultuur en geschiedenis van die regio bijeenbrengt. Het
is het oproepen van een wereldhistorisch
welslagen, dat door de gunst van de natuur en de goden gedragen werd, de
smartelijke herinnering aan de neergang, en
de verwachting dat met de overwinning op een ontvreemde wereld dat ogenblik van
het grote welslagen op een nieuw ni-
veau zal terugkeren.’
(Bladzijde 184) Morgen verder met dit hoofdstuk 12.