Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 12
‘Het volk der vrijen tegen het volk der ‘knechten’. Aan de ene kant de
vermetelheid die het eigene verdedigt, aan
de andere kant ‘de veelheid der wapenen’. Athene handhaaft zich, maar wordt
dan toch verwoest. In het tijdperk
van Pericles wordt het opnieuw en nog mooier opgebouwd. De Griekse genius wint
weer aan bloei en kracht.
Maar ook de genius heeft zijn tijd. Nu getuigen van hem alleen nog de ruïnes,
aldus de melancholieke beschou-
wing aan het begin van het derde deel:
‘O de kinderen van het geluk, de vromen! wandelen ze ver nu
Bij de vaderen thuis en hun onheilsdagen vergeten
Ginds aan de Lethestroom en brengt geen verlangen hen terug,
Zien mijn ogen ze nooit? ach! vindt over de duizend
Paden van de groenende aarde, gij godengelijke gestalten!
U het zoekende nooit, en hoorde ik daarom de sage,
Daarom de taal van u, dat immer treurend de ziel
Vóór haar tijd mij naar uw schimmen ontvlucht?’
(MA I, 301; v. 200-107)’
(Bladzijde 185) Morgen verder met dit hoofdstuk 12.