Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 12
‘Voorlopig slechts een teken, een ‘spoor’, nog niet het reële heden.
Nu geldt dat de ‘hemelsen ons sparen […]/Want niet altijd vermag een zwak vat
hen te vatten,/ Nu en dan slechts
verdraagt goddelijke volheid de mens.’ (MA I, 378; v. 112-114)
En wat in de tussentijd te doen?
Er zit in deze elegie een radeloosheid die niet het verlossende woord vindt,
een twijfel die niet te ontkennen valt,
een onrust die niet gesust kan worden: ‘In de tussentijd lijkt het me dikwijls/
Beter te slapen dan zo zonder makkers
te zijn,/ Zo te wachten en wat te doen nu, wat te zeggen/ Weet ik niet, en
waartoe dichter in povere tijd?’ (Id.; v.119-122).
‘Brood en wijn
Voor Heinze’
I
‘Rondom rust de stad; stil wordt de verlichte straat,
En met fakkels gesierd ruisen de wagens weg.’ ‘
(Bladzijde 192) Morgen verder met dit hoofdstuk 12.