Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 14
‘ Sinclair had de brief aan Landauer gestuurd zodat die hem naar Bordeaux kon
doorsturen, omdat Sinclair dacht dat
Hölderlin daar nog zat. Ook dat is een argument tegen de gedachteconstructie van
Bertaux dat Hölderlin een omweg
had gemaakt naar de stervende Susette Gontard. Sinclair, zijn vriend, zou daarvan
vast op de hoogte zijn geweest, zo
al niet door Hölderlin zelf, dan via hun gemeenschappelijke vriend Ebel, die als
dokter aan Susettes sterfbed zat.
Er valt dus veel voor te zeggen dat Hölderlin pas door de brief van Sinclair
over de dood van Susette heeft gehoord.
Sinclair had haar, zoals hij schreef, sinds Hölderlins vertrek uit huize Gontard
niet meer gezien, hij kan daarom slechts
op grond van mededelingen van anderen, waarschijnlijk van Ebel, de troostende
woorden kiezen: ‘Ze is tot op het laatst
zichzelf gebleven. Haar dood was als haar leven’ (MA II,919). Susette had de
hele winter geleden aan een gevaarlijke
hoest, er werd zelfs gevreesd voor tering. Toen hadden de kinderen rodehond
gekregen. Die overleefden het, maar de
al verzwakte Susette, die besmet was geraakt, overleed eraan op 22 juni 1802.’
(Bladzijde 220) Morgen verder met dit hoofdstuk 14.