Weer verder et ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 15
‘Als ik een gedachte aanroerde die hem vroeger had aangesproken, was zijn
eerste antwoord steeds ter zake en
redelijk, maar met het volgende woord verloor hij de draad. Ik heb door hem
echter wel ervaren hoe groot de macht
van de aangeboren, oorspronkelijke bevalligheid is. In de 36 uur dat hij in
totaal bij ons heeft doorgebracht, heeft hij
niets onbetamelijks gedaan of ges[roken, niets wat in tegenspraak was met zijn
vroegere nobele en welgemanierde
wezen. Het afscheid buiten op straat was pijnlijk’ (aan Gustav Schwab, 11
februari 1847; MA III, 612 ev.).
Dat is de herinnering aan een ontmoeting die meer dan veertig jaar eerder had
plaatsgevonden. De beschrijving die
Schelling toentertijd, direct na de ontmoeting, in een brief aan Hegel gaf legde
de nadruk op het afstotelijke aspect en
liet doorschemeren dat Hölderlin zijn waanzin wellicht simuleerde: ‘Zijn
aanblik was voor mij schokkend: hij verwaarloost
zijn uiterlijk tot aan het weerzinwekkende toe en heeft, omdat zijn woorden niet
erg op krankzinnigheid duiden, geheel de
manieren overgenomen van mensen die in zo’n toestand verkeren’ (aan Hegel, 11
juli 1803; MA III, 619). Schelling, die in
die tijd in Würzburg doceerde, vroeg in die brief aan Hegel in Jena of die niet
iets voor Hölderlin kon doen.’
(Bladzijde 231) Morgen verder met dit hoofdstuk 15.