Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 15
‘Zij dankte hem voor zijn ‘minzame genegenheid waarmee u herhaaldelijk mijn
l[ieve] ongelukkige zoon hebt ver-
eerd’, maar ze gaf in overweging dat Hölderlins ‘verstandelijke krachten
zeer verzwakt’ waren en dat ‘gevreesd’
moest worden voor een ‘spoedig ontslag’ uit zijn functie. Die ‘klap’ zou
voor het eergevoel van haar zoon te hard
kunnen zijn en hem helemáál in verwarring brengen (MA III, 625 ev.).
Sinclair kon haar bezwaren weliswaar niet ontkrachten, maar Hölderlins moeder
gaf ten slotte toe en liet haar
zoon in juni 1804 vertrekken, bezorgd en misschien ook enigszins opgelucht.
In de daaraan voorafgaande maanden was Hölderlin wat opgeleefd, omdat
uitgever Friedrich Wilmans door be-
middeling van Sinclair overgehaald was Hölderlins vertalingen van Sophocles uit
te geven. Hölderlin, die verder
bijna geen brieven meer schreef, onderhield met Wilmans een levendige
correspondentie, waarin Hölderlins tevre-
denheid over die publicatie tot uitdrukking komt. Als iemand die zeker is van
zijn zaak, lichtte Hölderlin zijn vertaal-
concept voor zijn uitgever toe: ‘Ik hoop de Griekse kunst, die ons vreemd is
[…] levendiger dan gewoonlijk aan het
publiek voor te stellen door het oriëntaalse […] meer naar voren te laten
komen en de kunstzinnige tekortkomingen
ervan, als die zich voordoen, te verbeteren’ ( 28 september 1803; MA II,
925).’
(Bladzijde 232-233) Morgen verder met dit hoofdstuk 15.