Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 17
‘Nietzsche zal de raad van zijn leraar niet opvolgen, hij zal aan Hölderlin
blijven vasthouden en heel wat inspiratie
bij hem opdoen. Nietzsches ontdekking van de elementaire dionysische kracht in de
Griekse cultuur, het wilde en
vitale ervan – het exacte tegendeel dus van Winckelmanns Kassieke Oudheid – is
niet in de laatste plaats ook geïn-
spireerd door de Klassieke Oudheid volgens Hölderlin. Bij Hölderlin leerde
Nietzsche de niet-academische omgang
met de goden van Griekenland, en door hem kreeg hij een eerste voorstelling van
de levensmachten die zich in zul-
ke goden konden belichamen.
Nietzsche las ook in de brieven van Hölderlin (in deel twee van de uitgave
van 1846). Er was één brief, die van 24
december 1798 aan Sinclair, die hem in het bijzonder fascineerde, en hij citeert
er een passage uit in de tweede ‘On-
eigentijdse beschouwingen’ (‘Over nut en nadeel van de geschiedenis voor het
leven’). De geciteerde zinnen luiden:
‘Ik heb ook hier weer ervaren wat mij al vaak is overkomen, dat namelijk het
voorbijgaande en veranderlijke van men-
selijke ideeën en systemen mij bijna tragischer lijkt dan de noodlottigheden die
gewoonlijk bij uitsluiting de werkelijke
worden genoemd’ (Nietzsche I, 300; MA II, 722).’
(Bladzijde 262) Morgen verder met dit hoofdtuk 17.