Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 17
‘Ludwig Uhland en Gustav Schwab publiceerden in 1826 de eerste dichtbundel.
Dat initiatief was overigens uit-
gegaan van de actieve luitenant Heinrich von Diest, die in de kringen van de
romantici in Berlijn was gewezen op
‘Hyperion’ en die de lectuur van dat boek de belangrijkste ervaring in zijn
leven noemde. Hij zette zich daarom bij
uitgever Cotta in voor een nieuwe oplage van de roman en had er succes mee:
‘Hyperion’ verscheen in 1822 op-
nieuw in druk, al bleef het ook toen zo goed als onopgemerkt. Von Diest ondernam
vanaf 1820 de eerste pogingen
het her en der in vrouwenboeken en muzenalmanakken gepubliceerde werk te
verzamelen. Schwab en Uhland kon-
den daarvan profiteren, en toen eindelijk het kleine maar fraaie boekje in 1826
verscheen leefde de van literatuur be-
zeten, maar vechtlustige luitenant niet meer, hij was in een duel gedood.
De uitgave van 1826 bevatte slechts een klein deel van de gedichten van
Hölderlin. Uhland sprak over de ‘lava van
die erfenis’ (St.A. 7.2, 575), die geordend moest worden om het toonbare eruit
te vissen. In een brief aan Karl Gok
lichtte Uhland zijn selectiecriteria toe. Weggelaten was wat nog niet voldoende
‘karakteristiek’ voor de dichter was, dus
de vroege gedichten, die nog sterk door het voorbeeld Schiller beïnvloed
waren.’
(Bladzijde 260) Morgen verder met dit hoofdstuk 17.