Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 17
‘In een opstel nam hij het op tegen het vooral bij schoolmeesters heersende
vooroordeel over de zogenaamde
‘gekkenhuisideeën’ (Nietzsche JN 2,2) van Hölderlin. De jonge Nietzsche
maakte zich Hyperions kritiek op de
Duitsers eigen. Hun werden, schrijft hij, bittere waarheden verteld, want juist
op hoog cultureel niveau dreigde
het gevaar van de terugval in de ‘barbarij’. En wat is het ‘barbaarse’
aan de Duitsers? Nietzsches antwoord, dat
hij later op eendere wijze in zijn eerste ‘Oneigentijdse beschouwingen’ zal
geven, luidt: het is de vrijwillige beper-
king tot ‘louter vakman, de filister’. Voor de jonge Nietzsche is Hölderlin
de dichter van de heimwee naar de verlo-
ren overvloed en eenheid, die ooit in de Griekse oudheid zou hebben bestaan. Voor
hem is Hölderlin de koning in
een nog onontdekt rijk, en de leerling voelt zich met enige trots een apostel die
het licht in de duisternis brengt, maar
de duisternis heeft het niet begrepen. De leraar die het opstel nakeek schreef
eronder: ‘Ik moet de auteur toch de
vriendelijke raad geven er een dichter op na te houden die gezonder, helderder en
meer Duits is’ (id. 2, 430).’
(Bladzijde 261-262) Morgen verder met dit hoofdstuk 17.