Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Volgens de overlevering is de wereld waarin we leven een lichaam dat slaapt in
een
bad en zich af en toe op een zijde keert, zodat nu eens de ene, dan weer de
andere
kant onderloopt. Tijdens een van die lome bewegingen dook onze stad op. Zodra de
haven een feit was, werd de lucht om ons heen gekruid door vreemde gerechten en
exotische talen. Sprak je de naam uit van onze stad, dan klonk die in de hele
beschaaf-
de wereld als het gerinkel van muntstukken. Maar rijkdom blijft net als de liefde
nooit
eeuwig doorgaan. Het lichaam in het bad bewoog even, waardoor het water in de om-
geving zich in de grond terugtrok. Er ontstonden schorren en slikken. De mannen
stort-
ten zich verbeten op het gewonnen land en wierpen dammen op. Taai gras beet zich
vast, zoog vocht op, zaaide zich uit, maakte het land hard en begaanbaar, en toch
slaag-
den we er niet in de zee te vergeten. Er bestaan genoeg verhalen over mensen die
met
de handpalmen op de oren over de winderige vlakte uit stonden te kijken als over
een
oceaan.’
(Bladzijde 12-13) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.