Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Zoals er niemand was die kon bewijzen dat ze er daadwerkelijk waren, omdat de
beschrijvingen
van getuige tot getuige verschilden. Alsof ze hun verschijningsvorm aanpasten aan
wie hen waar-
nam. Misschien namen ze de vorm aan van onze angsten, of van onze verlangens, of
vermengden
ze die twee. Massahypnose? Nee. In dat geval zouden we allemaal hetzelfde hebben
gezien. Fan-
tomen uit het collectieve geheugen die om de zoveel jaren als een verloren
gewaande ziekte op-
nieuw aan de oppervlakte kwamen? Nee. Massahysterie? Nee. Bewijs dan maar het
tegendeel, zei-
den de sceptici. We wezen op onszelf. We waren zelf het bewijs van het tegendeel.
Wat we zagen
als we voor de spiegel plaatsnamen, was een gezicht dat we onmiddellijk als het
onze herkenden
en toch ook niet. Natuurlijk kenden we de verhalen over mensen die ’s ochtends
ontwaakten in een
ander lichaam. Maar dat was niet wat we voelden. We stonden voor de spiegel en
zochten naar on-
effenheden, celwoekeringen, nieuwe littekens, zelfs naar sporen van
injectienaalden of naar vreem-
de, chemische geuren. Iets wat er nog niet was geweest toen we de avond ervoor
voor dezelfde spie-
gel hadden gestaan. We vonden niets. Het duurde lang voor we erachter kwamen dat
het onze blik
zelf was die veranderd was en niet ons lichaam.’
(Bladzijde 9-10) Morgen verder met dit boekje ‘Mondschilderingen’.