Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘We marcheerden rond, schijnbaar doelloos, hielden elkaar in het oog, en
kruisten elkaar
rakelings. Nauwelijks merkbaar. Maar dicht genoeg om dezelfde blik te herkennen.
Dezelfde
passen. De wanhopige choreografie van het verlangen. Tegen beter weten in. Met de
hardnek-
kigheid van zij die weten dat je alleen maar zo snel loopt als je tegen een muur
te pletter wilt
lopen. Hoofd vooruit. Vergeten. Eindelijk niet meer te moeten denken.
Ik werd wakker op een bank. Bonzend hoofd. Verkleumd tot op het bot. Ik opende
mijn ogen
en keek in de ernstige ogen van een kind. We zeiden niets. Het kind draaide zich
om en hup-
pelde weg. Beschaamd strompelde ik naar huis terug , nam een bad en trok verse
kleren aan.
Er wordt beweerd dat een verlangen alleen maar wordt ingelost als het niet wordt
ingelost.
Er wordt ook beweerd dat de stenen van huizen in onze stad in de loop der
eeuwen zo hard
zijn geworden dat het onmogelijk is er nu nog in te leven. Maar het is niet omdat
de schil onver-
anderlijk is dat het vruchtvlees niet leeft.’
(Bladzijde 17) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.