Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Het is goed mogelijk dat je een eeuwenoude, massieve deur achter je dichtslaat
en dat je
in een kamer terechtkomt waar de bomen door het plafond heen groeien en de
kolibries als
hommels rond je oren zoemen. Zoals het ook mogelijk is dat je een huis met een
statige ge-
vel binnengaat en er een stokoude vrouw vindt, besmeurd, opgekruld in de hoek van
de ka-
mer. Vergeet de functie van je neus. Leg je geschenk op de vloer. Ze opent één
oog. Als het
geschenk haar bevalt, zal ze de toekomst lezen uit de structuur van het vlees.
Vastheid, kleur,
richting van de vezels. Alles heeft een betekenis. Ik legde het geschenk op het
parket en ging
met mijn rug tegen de deur staan. Ze sloot het oog en legde de kin op haar armen.
Tot ik me
herinnerde dat ik met mijn gezicht tegen de deur moest staan. Ik hoorde het getik
van haar na-
gels op het hout en het geritsel van het papier. Het bleef lang stil. Niet
omkijken, dacht ik. Na-
tuurlijk keek ik niet om. Zelfs niet toen ik het geluid niet langer thuis kon
brengen. Ik weet nog
altijd niet of ze huilde of giechelde, maar ze vertelde me wel het verhaal van
een man die een
haarlok van zijn overleden vrouw als een relikwie bewaarde.’
(Bladzijde 17-18) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.