Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Op handen en voeten. Oorschelp tegen de bakstenen. Tot hij knikte en ons
ongeduldig wenkte.
Nog steeds met gesloten ogen. We hurkten neer. We legden onze hoofden naast
elkaar op de
muur. We straalden. Het was onmiskenbaar het geluid van pasgeboren katten dat we
hoorden,
hoewel het natuurlijk onmogelijk was dat die zich in het muurtje bevonden. Het
jongetje strekte
een arm uit en draaide zijn gezicht naar de muur toe. Het meisje hield een zak
klaar. Alles ging
bliksemsnel. De jongen legde zijn mond op de muur, zoog het geluid op en spuwde
het uit. Het
meisje knoopte de zak dicht en hield die bij mijn oor.
‘Miauw?’ zei het jongetje.
Ik knikte.
Het meisje zei: ‘Ik heb honger.’
‘Kom,’ zei het jongetje, terwijl hij me een hand gaf. ‘Ik laat je zien waar
je woont.’
Ze waren behendig als ratten. Ze lieten me zien dat een straat niet de enige
manier is om een
stad te doorkruisen.’
(Bladzijde 29-30) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.