Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘De jongen wees me een wijngaard aan boven op een huis. Een man was er aan het
werk.
Af en toe liet hij in zijn hand een druiventros rusten als de borst van een
vrouw.
Ik zag daken waar men met glanzende panelen de zon probeerde te vangen en vast
te
houden voor donkere en kille dagen.
Het meisje wees me daken aan waarop houten bouwseltjes stonden. En daarna wees
ze
me er aan op een ander dak en op nog een ander dak. Overal om ons heen.
Reusachtige
nesten.
De jongen tikte me op mijn schouder en wees. Vlakbij zag ik een vrouw een
kamer binnen-
komen.
Ik schrok zo hard dat ik bijna van het dak donderde.
Het was mijn buurvrouw.
Platgedrukt tegen het dak schoof ik naar beneden. Het meisje zette mijn voeten
op de juis-
te uitsteeksels en de jongen duwde mijn vingers in de juiste spleten. Tot we
landden op het ter-
ras. Ik zocht al mijn zakken af op zoek naar sleutels, maar de jongen gleed langs
de regenpijp
en even later opende hij het raam. Ik betrad mijn eigen huis als een dief.’
(Bladzijde 30-31) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.