Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Ik haastte me naar het marktplein, wurmde me tussen ellebogen en schouders door, tot ik buiten
adem voor de bloemen stond. De vrouw schudde het hoofd toen ze mijn vraag hoorde.
‘Er zijn zoveel mensen die bloemen kopen,’ zei ze.
‘Nee, ik bedoel die bloemen,’ en ik knikte naar de lege vaas waar de tijgerlelies hadden gestaan.
Ze die alsof ze nadacht.
Ik beschreef het meisje zo hartstochtelijk en zo uitvoerig dat ze begon te glimlachen. Toen greep
ze me bij de schouders beet, draaide me rond mijn as, legde een arm over mijn schouder en wees
in de menigte. Ik zag de bos tijgerlelies boven de hoofden dansen. De vrouw fluisterde: ‘Eerst heeft
ze er één gestolen, daarna is ze terug gekomen om de hele voorraad op te kopen.’
Ze kan in lucht opgaan als je haar achternagaat. Ze kan zichzelf wegtoveren. Zo vingervlug is ze.
Mijn hart bonsde in mijn keel toen ik naar huis terugliep.
Dagelijks breng ik tientallen buitenlanders in vervoering door ze rond te rijden in een koets.’
(Bladzijde 54-55) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.