Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
’s Nachts schrik ik soms wakker en zie ik haar gehurkt in de dakgoot naar me
zitten kijken, maar
als ik me struikelend naar het raam haast, glijdt een schaduw over de daken, als
van een kat.
Op een dag stond ik gebogen over een kartonnen doos met een nest jonge katten. De
verkoper
bulderde zijn prijs, maar iets in zijn ogen weerhield me te kopen. Even later zat
ik gehurkt, met
gesloten ogen te ruiken aan de tijgerlelie, en toen ik mijn hand op de jaszak
legde, merkte ik dat
die leeg was. Onmogelijk. Ik haastte me naar de dierenverkoper, maar die keerde
me minachtend
de rug toe nog voor ik uitgesproken was en begon luidkeels zijn waar aan te
prijzen. Even overwoog
ik om naar het politiekantoor te gaan. ‘Wat kunt u bewijzen?’
Ik had nog maar enkele passen in huis gezet toen ik de portefeuille op het
tafelblad zag liggen. En er-
naast: een tijgerlelie.
Zij heeft vingers die lenig en soepel en genadeloos snel als de vingers van een
moordenares.’
(Bladzijde 53-54) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.