Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Het is de grond zelf die me te voorschijn duwt. Eerst het hoofd, dan de
schouders. Tot ik tot
de enkels opgeduwd ben. Jarenlang met de enkels in de grond. Elke lente nestelen
dezelfde
vogels in mijn haren. Dezelfde geuren en geluiden. Het gezoem van dezelfde
insecten.
Roerloos. In de blakende zon. Onder een geselende regen.
’s Nachts hoor ik het water zingen.De voeten van de paarden, ingepakt in
fluweel, zodat ze
klinken als de stappen van een minnaar. Het gefluister. Het zuchten.
Als de bladeren vallen, gaan de vogels ervandoor. Altijd opnieuw wachten. Maar
op een dag…
Het kan elke dag zijn. Op een dag graaf ik mijn voeten te voorschijn. Wijsvinger
en middelvinger
als de benen van een schaar. Mijn rechtervoet voor mijn linkervoet. Sneller en
sneller. Recht op
het water af. Geloof je mij?
Geloof niemand die zegt dat het water de stad in stroomt langs de Lac d’Amour.
Het is niet altijd
goed je oren en ogen te vertrouwen.’
(Bladzijde 51) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.