Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘De bloedbaan van de rivier. De ademhaling van de boomkruinen.
Er is een bruggetjes dat boven het zwarte water hangt. Je buigt even door de
knieën. Je ademt in
en springt. Op de hurken versteend op de reling. Met gesloten ogen. In evenwicht.
Je wacht, Tot
het zover is. Het water als een vloeibare magneet
Terwijl je valt, strekt je jezelf razendsnel uit, maak je jezelf vlijmscherp,
zodat het water niet opspat.
Geen sporen. Rimpelloos water.
Wiegend als anemonen op de bodem.
Tot lippen langs je heen strijken. Handen die onder je buik schuiven. Handen die
je omdraaien. Vin-
gertoppen. Armen. Schouders. Tot een mond op die van jou plaatsneemt en uitademt.
De ene mond
na de andere.Als een krioelende school vissen die de vorm aanneemt van een
lichaam, verstrengeld,
glanzend en geolied en doorbloed en dooraderd, tot het middel opspringend,
juichend, tegen de schui-
mende stroming in.’
(Bladzijde 49-50) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.