Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Hij kan toveren door aanwezig te zijn. Ik kan toveren door afwezig te zijn.
Geloof mij niet. Elke
spiegel liegt.
De straat tussen ons in als zwart water. Vloeibaar glas. Ik hoef mijn handen
maar uit te strekken
om het te voelen. Net als hij. Inademen. Adem inhouden. Springen.
Alsof we wegzakken in veel te zachte grond. Graaiende armen. Zijn schouders.
Mijn armen. Voor-
hoofd tegen voorhoofd. Drijvend. Zwevend. Hangend in de lucht.
Mond op mond. Gefluister. De eerste woorden waarmee ik de binnenkant van zijn
mond beschilder.
Zijn armen weerloos in de lucht. ‘Hoor je mij?’ Zijn glimlach. ‘Zie je
mij?’ Zijn hoofd van links naar rechts.
Zijn opwolkende haren. Zijn mond, dicht beschreven als de bladen van een boek. De
oneindige duister-
nis. ‘Zie je mij?’ Twee lichamen achter glas, elk aan een kant van de straat.
Twee lichamen die een stap
zetten en oplossen in de nacht. Twee lichamen op de leuning van een brug.
Er zijn zoveel manieren om te verdwijnen.’
(Bladzijde 47-48) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.